Naar de sportschool gaan en vooral blijven gaan, is voor veel mensen een uitdaging. Wie kent dat niet? Onderweg naar het ploeterhok hebben velen al drie excuses bedacht waardoor het ècht niet mogelijk is om te gaan. Dat ene klusje dat nog op je ligt te wachten, is tè belangrijk. Of we bepleiten dat we nu toch echt een keer op bezoek moeten bij schoonmoeders..... Ik ga zelf elke week trouw naar de sportschool. Terwijl ik echt een heel goede reden heb om niet te gaan; de overijverige stagiaire “R”.

coachTijgerend door de sporthal bepaal ik als eerste de positie van “R”. Daarna bedenk ik een strategie waardoor ik niet meteen het doelwit ben. Als een schichtig hertje kruip ik op één van de achterste fietsen, met zoveel mogelijk mensen als barrière tussen ons in. Daarna is het trappen en duimen.

Wat is er aan de hand? “R” heeft tijdens zijn opleiding de lessen “sociaal contact” heel serieus genomen. In zijn geval betekent dat de tijd volpraten tot einde dienst. Nog voordat een gesprekspartner zich los heeft weten te worstelen uit de verbale houdgreep gaan zijn ogen alweer zoekend door de zaal.

Kent u het gevoel nog? Stelt u zich voor...  een leraar kijkt de klas door op zoek naar het antwoord op vraag 6 van hoofdstuk 1. Daar zit u dan, aan het gangpad in het midden en u heeft uw huiswerk niet gemaakt!  Terwijl u met een zelfverzekerde en nonchalante houding het naderende onheil probeert af te wenden, schreeuwt u het in stilte uit; “Niet ik, niet ik!”.

Dat een gesprek in de sportschool zich niet beperkt tot de technische mogelijkheden van een sportfiets vind ik prima, gezellig zelfs. In het geval van “R” wordt het een gesprek over... over..... tsja, waarover eigenlijk? Zomaar een fragment:

R: “Ik weet het wel, gratis met het openbaar vervoer en dan twee uur langer onderweg òf met de auto en heel veel geld kwijt, ja toch?”

Ik: “Nou ja, dat is wel zo natuurlijk”. Ondertussen zoek ik met mijn blik mijn vriend, misschien dat hij R. kan afleiden. Maar nee, die ligt net op zijn rug met de gewichten de zwaartekracht te trotseren.

R: “Want hoeveel kost dat eigenlijk, een tank benzine?” vervolgt R. zijn betoog… “vijftig, zestig, zeventig euro toch”

Ik: “Ehhh… tsja, dat hang af van hoe groot de tank is”,

R: En qua tijd scheelt dat ehhhhh…… dan scheelt dat zeker eeehhhhmmmmm…….Nouhou….. wel twee uur per dag”, zegt hij, terwijl hij grote ogen opzet. “dat is dus twee uur meer privé-tijd”
Denkt even na: “dus dat is twee uur minder in de bus”. Daarbij een hoofd trekkend alsof hij dat net een een waanzinnig “Aha-erlebnis-moment” heeft.

Ik: “Nou, dat is inderdaad heel wat”, zeg ik, terwijl het automatische programma van mijn fiets de weerstand met drie punten naar boven bijschakelt en mijn hartslag als gevolg daarvan omhoog schiet van een comfortabele 119 naar een verontrustende 142 per minuut. “Heel wat inderdaad”, kan ik er nog net uitpersen.

Ik voel me een slecht mens. Niet dat ik gelijk een moord op mijn geweten heb of dat ik een oude dame van haar tas heb beroofd, maar toch... Is het nu echt zo moeilijk om te vertellen dat ik niet zo op dit soort gesprekken zit te wachten? Dat het daarnaast ook niet zo handig is om vijf tenen knoflook door je eten te gooien als je zo'n publieke functie hebt?

Wat houdt me tegen? Ben ik bang om te kwetsen? Voor een verminderd zelfbeeld bij een nog heel erg jonge stagiaire? De waarheid is eerlijk gezegd een stuk harder en egoïstischer.

Waarom vertellen zo schrikbarend weinig mensen de waarheid in een situatie zoals deze? Volgens mij is het motief daarvoor toch vooral de angst om buiten de groep te vallen of om als gemeen en asociaal gezien te worden. Misschien is het in mijn eigen belang om toch eens met “R” te praten. Zal ik hem eens vragen of er voor mij nog ruimte is in de klas “sociaal contact”? Dan beloof ik hierbij plechtig dat ik mijn huiswerk netjes maak.